Als ik des nachts alleen naar de samenkomst van minne ga, dan zingen de voogels niet, de wind roert zich niet, stom staan de huizen ter weerszij van de straat.
Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig worden bij elken stap, en ik schaam mij.
Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap luister, dan ritselen de bladen niet aan de boomen, het water in de rivier is stom als het zwaard op de knieën van een ingeslapen schildwacht.
Het is mijn eigen hart dat wild slaat—ik weet niet hoe ik het zal doen bedaren.
Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde zit, als mijn lijf beeft en mijn oogleeden needergaan, dan wordt de nacht donker, de wind blaast de lamp uit, en de wolken trekken sluyers oover de starren.
Het is het juweel op mijn eigen borst dat glans en licht geeft. Ik weet niet hoe ik het moet verbergen.
Laat uw arbeid staan, bruid. Luister, de gast is gekoomen.
Hoort ge? hij rammelt zachtkens aan de ketting die de deur digt houdt.
Let op dat uw enkelringen geen luid gerucht maken, en dat uw stap niet te haastig is bij het hem tegemoet gaan.
Laat uw arbeid staan, bruid, in den avond is de gast gekoomen.
Neen! het is niet de spookachtige wind, bruid, wees niet verschrikt.
Het is de volle maan in een Aprilnacht; de schaduwen zijn bleek in den binnenhof; de heemel omhoog is helder.
Trek de sluyer oover uw gelaat als het zijn moet, draag uw lamp tot de deur als ge bang zijt.
Neen, het is niet de spook-wind, bruid, wees niet bevreesd.
Spreek niet tot hem, als ge bedeesd zijt; sta terzijde van de deur bij de ontmoeting.
Als hij u vragen vraagt, en ge wenscht het, dan kunt ge uw oogen zwijgend neerslaan.
Laat uw armringen niet rinkelen, als ge hem binnenleidt, met de lamp in uw hand.
Spreek niet tot hem als ge bedeesd zijt.
Is uw arbeid nog niet gedaan, bruid? Luister, de gast is gekoomen.
Hebt ge de lamp in de koestal niet aangestooken?
Hebt ge het offermandje niet gereed voor den avond-dienst?
Hebt ge het roode geluksmerk niet geplaatst bij de scheiding van uw haar, en uw toilet gemaakt voor den nacht?
O Bruid, hoort ge ’t, de gast is gekoomen?
Laat uw arbeid staan.
Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.
Als je gevlochten haar losgegaan is, als je scheiding niet recht is, als de linten van je keursje niet vastgestrikt zijn, let er niet op.
Kom zooals je bent, treuzel niet met je toilet.
Kom, met vlugge stappen oover ’t gras.
Als het roode kleursel door den daauw is afgegaan van je voeten, als de ringen met belletjes van je voeten losgaan, als paerelen uit je snoer vallen, let er niet op.
Kom, met vlugge stappen oover ’t gras.
Zie je hoe de wolken den heemel omhullen?
Vluchten kraanvoogels vliegen op van de ooverkant der rivier, en plotselinge windstooten vliegen oover de heide.
Het angstige vee rent naar zijn stalling in het dorp.
Zie je de wolken die den heemel omhullen?
Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan.—Zij flakkert en dooft uit in den wind.
Wie kan weeten dat je oogleeden niet met lamp-zwart zijn bestreeken?
Want je oogen zijn donkerder dan reegenwolken.
Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan—ze gaat uit.
Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.
Al is de krans niet gevlochten, wie geeft er om? Is de armband niet geslooten, laat haar zoo.
De heemel is met wolken ooverdekt. Het is laat.
Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.
О проекте
О подписке
Другие проекты