Читать книгу «De Hoovenier» онлайн полностью📖 — Rabindranath Tagore — MyBook.
image

II.

Inhoudsopgave

O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.

Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht van het génerzijds?

„Het is avond” zei de dichter „en ik luister of iemand mocht roepen uit het dorp, al is het ook laat.

Ik geef acht, of jonge zwervende harten elkander soms ontmoeten, of twee paar greetige oogen soms muziek verlangen om hun zwijgen te breeken, en om voor hen te spreeken.

Wie zou hun hartstochtelijke zangen vlechten, als ik aan den rand des leevens zat, in beschouwing van den dood en het génerzijds?

De vroege avondster verdwijnt.

De gloed van een dooden-brandstapel sterft langsaam weg bij de stille rivier.

Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit den hof van het verlaten huis, in het licht der kwijnende maan.

Als nu een zwerver, na ’t verlaten van zijn huis, hier kwam om acht te geeven op den nacht, en met geboogen hoofd te luisteren naar het murmelen der duisternis, wie zou hem dan de geheimen van het Leeven in ’t oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en mijzelven trachtte te bevrijden uit sterfelijke banden?

Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.

Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als de jongste en de oudste van dit dorp.

Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig, sommigen een schalke tinteling in hun oogen.

Sommigen hebben tranen die in het daglicht opwellen, anderen hebben tranen die in ’t duister verborgen blijven.

Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen tijd om oover het hiernamaals te peinzen.

Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt het uit dat mijn haar vergraauwt?”

III.

Inhoudsopgave

Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.

Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid. Sommigen glansden als een glimlach, sommigen blonken als tranen, en anderen bloosden als de wangen eener bruid.

Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijn lief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.

Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat ik opgehaald had, en wachtte zwijgend.

Zij oogde er naar, en zeide:

„Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoor zij dienen.”

Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: „ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardige geschenken voor haar.”

En den heelen nacht dóór wierp ik hen één voor één op straat.

Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegen hen naar verre landen.

IV.

Inhoudsopgave

Helaas, waarom bouwden ze mijn huis aan den weg die naar de marktplaats voert?

Zij meeren hun volle booten digt bij mijn boomen.

Zij koomen en gaan en dwalen naar ’t hun lust.

Ik zijt en let op hen; mijn tijd verstrijkt.

Ik kan hen niet wegjagen. En zoo gaan mijn dagen om.

Nacht en dag klinken hun schreeden bij mijn deur.

Te vergeefs roep ik: „Ik ken u niet.”

Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen kennen sommigen.

Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en zeg: „Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt vrij!”

Des morgens luidt de klok in den tempel.

Zij koomen met hun manden in de hand.

Hun voeten zijn roozerood. Het vroege licht van de dageraad is op hun gelaat.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Komt in mijn tuin om bloemen te plukken. Komt gerust.”

In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.

Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten en treuzelen bij mijn heg.

De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt; de toonen kwijnen in hun fluiten.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Onder mijn boomen is de schaduw koel. Komt vrienden!”

Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.

Wie komt er langsaam tot mijn deur en klopt zachtkens?

Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt gesprooken, ooveral-om is de stilte van den heemel.

Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik zie naar het gelaat in ’t duister en uuren van droomen gaan voorbij.

V.

Inhoudsopgave

Ik ben rusteloos. Mij dorst naar verre dingen.

Mijn ziel gaat uit in verlangen om het kleed aan te raken van de scheemerige verte.

O groot Génerzijds! O dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik geen vleugels heb, dat ik voor eeuwig aan deeze plek gebonden ben.

Ik ben greetig en waaksaam, een vreemdeling in een vreemd land.

Uw Adem bereikt mij en fluistert een onmoogelijke verwachting.

Uw spraak wordt door mijn hart gekend als zijn eigene.

O Gij die verre te zoeken zijt, o de dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik den weg niet ken, dat ik het gevleugelde paard niet heb.

Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van harte.

In den zonnigen neevel van de kwijnende uuren, welk van uw machtige vizioenen neemt vorm aan in het blaauw des heemels?

O verst verwijderd Eind, o dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat de poorten ooveral geslooten zijn, in het huis waar ik eenzaam woon.

VI.

Inhoudsopgave

De tamme voogel was in een kooi, de vrije voogel was in ’t woud.

Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo wilde het ’t noodlot.

De vrije voogel roept: „O geliefde, laat ons vluchten naar ’t woud”.

De gevangen voogel fluistert: „Kom hier, laat ons samen woonen in de kooi”.

Zegt de vrije voogel: „Waar is ruimte tusschen de tralies om de wieken uit te slaan?”

„Helaas!” roept de gekooide voogel: „Ik weet niet waar ik zou kunnen neerzitten in den vrijen heemel.”

De vrije voogel roept: „Mijn lieveling, zing het lied der woudstreeken.”

De kooi-voogel zegt: „Zit bij mij neer, ik zal u de taal der wijzen leeren!”

De woudvoogel roept: „O neen! neen! zangen kunnen nooit geleerd worden.”

De kooi-voogel zegt: „Wee mij! ik ken de zangen der woudstreeken niet.”

Hun liefde is heftig van verlangen, maar zij kunnen nooit vliegen wiek aan wiek.

Zij zien door de tralies van de kooi, en te vergeefs is hun wensch om elkander te kennen.

Zij fladderen met hun vleugels in verlangen en zingen: „Kom digterbij, mijn geliefde!”

De vrije voogel roept: „Het gaat niet, ik ben bang voor de geslooten deurtjes van de kooi.”

De kooi-voogel fluistert: „Helaas, mijn wieken zijn machteloos en dood.”

VII.

Inhoudsopgave

O moeder, de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen—hoe kan ik dan aan mijn werk blijven van ochtend?

Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten; zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende zang van de fluit zal klagend tot mij koomen van verre.

Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op mijn best kleeden.

O moeder, de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde van zijn wagen.

Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg, ik reet het robijn-snoer van mijn hals en wierp het op zijn pad.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam; ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn wielen en een roode vlek liet op het stof, en niemand weet wat mijn gave was, noch voor wien.

Maar de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn borst op zijn weg.

VIII.

Inhoudsopgave

Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed, ontwaakte ik met de vroege voogels.

Ik zat voor mijn oopen venster, met een versche krans op mijn los haar.

De jonge reiziger kwam den weg af in de roze morgenneevel.

Een paerelsnoer was om zijn hals en de zonnestralen vielen op zijn kruin.

Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij met een greetigen uitroep: „Waar is zij?”

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik.”

Het scheemerde en de lamp brandde niet.

Lusteloos vlechtte ik mijn haren.

De jonge reiziger kwam op zijn wagen in den gloed der ondergaande zon.

De paarden schuimbekten en er was stof op zijn gewaad.

Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met vermoeide stem: „Waar is zij?”

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik.”

Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in mijn kamer.

Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke papagaai slaapt in zijn kooi.

Mijn keurs heeft de kleur van een paauwehals, mijn mantel is groen als jong gras.

Ik zit op den vloer bij ’t venster en let op de verlaten straat.

Door den donkeren nacht blijf ik neurieën: „Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik.”