De volgende maatregel was het lossen van de voorraden en de uitrusting; maar het duurde eenigen tijd, eer het ons gelukte, het schip in den juisten stand te brengen, dat wij het werk gemakkelijk konden doen; de toestand van het ijs werkte storend. In den tusschentijd bracht een troepje van ons met sleden een bezoek aan de baai, waarin de “Discovery” had overwinterd; ze vond de hut, die de vorige expeditie had gebruikt, vrij van sneeuw en geheel onbeschadigd. Ten laatste kregen we de “Nimrod” dicht bij den wal in de onmiddellijke nabijheid van het punt, voor de hut uitgekozen op kaap Royds, en we gingen ertoe over, ons boeltje te ontschepen, waarvan reeds een groot deel aan dek was gebracht. De motorwagen werd het eerst aan wal geheschen, en daarna de paarden, want er was kans, dat het ijs zou opbreken, en het zou zoo goed als onmogelijk geweest zijn, om die met booten aan land te brengen. Er volgde een periode van hard werk. De hut moest worden opgezet in een klein dal dicht bij het strand, en ieder lid der expeditie moest meehelpen aan het vervoer der voorraden en der uitrusting.
De Arroll-Johnstonautomobiel trekt de sleden over het zee-ijs. Op de zachte sneeuw aan den wal kon zij geen diensten bewijzen.
Toen het weêr slechter werd, moest de “Nimrod” worden overgebracht naar een veiliger ankerplaats, hetgeen tijdverlies meebracht, en bij verschillende gelegenheden hadden we een nieuwe landingsplaats te zoeken ten gevolge der bewegingen van het ijs. Eens brak een ijsschol, waarop we aan het werk waren, plotseling op, en we verloren bijna een onzer ponies; als niet de leden der expeditie in die dagen zich zoo prachtig veel moeite hadden gegeven, dan zouden we zeker het verlies hebben te betreuren gehad van een deel van onzen voorraad, of onze bezittingen zouden ernstig schade hebben geleden.
Een hevige storm, die drie dagen aanhield, was een onzer beproevingen. Ik was op zee met de “Nimrod” gedurende die drie dagen, en toen ik naar het strand terugkeerde, zag ik, dat het zeeschuim wel een kwartmijl landinwaarts was gevlogen en dat onze kostbare voorraden begraven waren in een massa bevroren zeewater, op sommige plaatsen vijf of zes voet diep. Onze hoop kolen was in ’t ijs opgesloten, een feit, dat waarschijnlijk de kleinere stukken ervoor had behoed, heinde en ver verspreid te zijn geworden. We hadden toen geen tijd, om naar de voorraden te kijken. Het was volstrekt noodig, dat de “Nimrod” wegkwam, eer het seizoen verder was gevorderd, en na een flinke inspanning, om kolen aan land te brengen, stoomde ons schip naar het Noorden op den 22sten Februari en liet het aan ons klein troepje over, het werk af te maken.
Het meest in het oog vallende punt in de nabijheid van onze winterkwartieren was in het landschap de berg Erebus, Mount Erebus, en toen we het grootste deel van onze bagage hadden bevrijd uit het ijs, met behulp van houweelen en stangen, en ons hadden ingericht op een antarctisch leven, waren we in staat, dien grooten vulkaan te bestudeeren en de andere eigenaardigheden van de streek.
De wetenschappelijke leden der expeditie begonnen hun aandacht te wijden aan hun eigen speciale vakken, en de belangwekkendste ontdekkingen werden weldra gerapporteerd. De meteoroloog was gelukkig in de buurt van den Erebus, want de wolk van damp, die steeds boven de kruin hing, was een natuurlijke aanwijzing van bewegingen en toestanden in de hoogere lagen van den dampkring.
Het winterkwartier bij kaap Royds. Op den achtergrond de groote vulkaan Erebus. Luitenant Shackleton staat op den voorgrond. De lengte van zijn schaduw wijst aan, hoe laag de zon boven den horizon staat.
Er was nog genoeg werk te doen van algemeenen aard. We gebruikten de kisten, die onze goederen bevatten, om de lucht af te sluiten van den onderkant van onze hut, daar de ervaring ons had geleerd, dat de vloer het zwakke punt was, wat het toetreden van de koude betrof. Een ruw berglokaaltje werd opgericht aan één kant van den ingang voor het bewaren van voedingsmiddelen, en aan de andere zij bouwde Mawson een bepaald subliem bouwsel, dat dienen moest voor chemisch en physisch laboratorium. Natuurlijk werd het enkel gebruikt als magazijn, omdat de temperatuur daarbinnen ongeveer precies gelijk was aan de buitentemperatuur, en de warme, vochtige lucht, die uit de deur van de hut kwam, bedekte alles in het kleine vertrek met fantastische ijskristallen.
Aan de lijzijde der hut was een schuilplaats opgericht voor de paarden, de kisten maïs, de balen voeder, waarbij voor dat doel planken en geteerde kleeden werden gebruikt. De geharde dieren schenen niet veel behagen te scheppen in dezen maatregel, die hun welzijn op het oog had, en gedurende hun eersten nacht in de beschutting braken enkele van hen, na een geweld van belang te hebben gemaakt, los en keerden naar het dal terug, waar ze eerst waren vastgebonden geweest. Kort daarna stak Grisi, de wakkerste van hen allen, zijn hoofd door een der ramen van de hut. Een bergplaats, die aan de zuidzijde van de hut was gebouwd, bezweek bij den eersten storm, en toen het weêr bedaard was, moesten we een dienst organizeeren voor het zoeken van verloren goederen. Ik vond een russisch lederen laars, die meer dan drie pond woog, liggen op driekwart mijl afstands van het krat, waarin ze was geborgen geweest, en het ding moet door de lucht hebben gereisd, want het was niet geschaafd door de rotsen, waar het overheen was gegaan.
Een donkere kamer werd ingericht in een hoek van de hut, terwijl de kisten met vruchten in flesschen voor het doel dienden, om de ruimte af te zetten, en in den tegenoverliggenden hoek had ik een klein eigen hutje, gebouwd van planken en met een dakje.
Het leven in ons winterhuis was niet onbelangrijk. Elke twee personen hadden een vakje voor zichzelven van zeven bij zes voet, afgesloten van de rest onzer kleine wereld door middel van staaldraad en zeildoek. De smaak en handigheid van de leden der expeditie konden worden beoordeeld naar de manier, waarop deze vertrekjes in orde gemaakt en versierd waren.
Een groot gordijn in de kamer was beschilderd en stelde een vuurhaard voor met een vroolijk vuur, dat erin brandde, en een bouquet op den schoorsteenmantel, een opwekkend tooneeltje, als het erg koud was. Een tweede gordijn liet zien levensgroote teekeningen van Napoleon en van Jeanne d’Arc. Jeanne was vastgebonden op den brandstapel en de vlammen speelden om haar heen op een manier, die waarschijnlijk warmte moest suggereeren. Om zooveel mogelijk ruimte te hebben in het midden, hadden we het zóó ingericht, dat de tafel kon worden opgetrokken naar de zoldering, als ze niet werd gebruikt, en zoo bleef er ruimte voor de verschillende werkzaamheden van de leden der expeditie. De kachel liet in het begin te wenschen over, maar een onderzoek toonde aan, dat de oorzaak school bij het feit der afwezigheid van enkele belangrijke onderdeelen, die niet waren aangebracht, toen de kachel werd geplaatst in de hut, en nadat het gebrek was verholpen, hadden we er niets meer op aan te merken. Die kachel werd op zware proeven gesteld, want ze moest negen maanden aan één stuk branden, met nu en dan een poosje rust van hoogstens tien minuten, als ze moest worden schoongemaakt. Een weerkundig station was dicht bij de hut opgericht, waar iedere twee uren waarnemingen werden gedaan, soms tijdens stormen, die het werken buitenshuis al bijzonder onaangenaam maakten.
Toen we ons in de hut hadden gevestigd, begonnen we vragende blikken te werpen in de richting van den Erebus. De bestijging van den berg was als zeer bezwaarlijk beschouwd, zoo niet als onmogelijk; maar er was geen twijfel aan, of, als de berg beklommen kon worden, zouden de wetenschappelijke resultaten hoogst waardevol wezen, en zoo besloten we, dat er een poging zou worden gewaagd.
Ik koos professor David, Mawson en Mackay, om de bestijging van den top te beproeven. Ze moesten voor tien dagen van levensmiddelen worden voorzien, en een hulpgezelschap, bestaande uit Adams, Marshall en Brocklehurst, zou de hoofdgroep zooveel mogelijk ter zijde staan. Het gebeurde, dat alle zes den top van den berg bereikten. Het gezelschap sloeg zijn eerste kamp op omstreeks zeven mijlen verwijderd van het winterkwartier en 2750 voeten boven de oppervlakte der zee. Ze vertrokken den volgenden morgen bij een temperatuur van tien graden onder nul, en na een inspannend klimmen over de sneeuw, die door den wind zwaar gegroefd was, bereikten ze een hoogte van ongeveer 5550 voet.
De aard van de vulkanische brokken, die rondom het kamp lagen, gaf aan, dat de Erebus nog kort geleden eenige lava had uitgestooten. Er werd bij dit kamp een dépôt aangelegd, en proviand voor drie dagen werd verderop meegenomen, terwijl het derde kamp opgeslagen werd ter hoogte van 8750 voet bij een temperatuur van 20 graden onder nul. Dien nacht werd het gezelschap door een sneeuwstorm overvallen, die nog in woede toenam gedurende den volgenden dag. Het was onmogelijk, om vooruit te komen, en de mannen bleven in hun slaapzakken.
In den namiddag kwam Brocklehurst te voorschijn uit den slaapzak voor drie personen, gebruikt door de leden van de hulpexpeditie, en dadelijk sleurde de wind een van zijn handschoenen van wolfsvel mee weg. Hij vloog er achterna en werd een eind meegesleurd in het ravijn. Adams, die met Brocklehurst te voorschijn was gekomen, werd door den wind naar beneden gesleurd, en Marshall, die in den slaapzak bleef, moest krachtig zich inspannen, om niet met zak en al naar beneden te tuimelen. Adams en Brocklehurst slaagden er in, naar den zak terug te kruipen, de laatste bijna uitgeput, en beiden verstijfd van koude.
Het gezelschap kon den volgenden dag verder komen, en na nog veel moeilijk en gevaarlijk klimmen, waarbij Mackay aan een groot gevaar ontsnapte, bereikten ze den rand van den ouden krater, boven welks zuideinde de werkzame kegel zich verheft. Ze waren toen aan den zoom van een afgrond van zwart rotsgesteente, gescheiden van de sneeuw, die den krater vulde door een diepe gracht, die uitgehold was door de stormwinden.
Er werd een kamp opgeslagen in een holte op de noordwestelijke helling van den hoofdkegel omstreeks vijftig voet onder den rand van den ouden krater, en hier werd er een onderzoek ingesteld naar de voeten van Brocklehurst, daar hij zei, dat hij al eenigen tijd er in het geheel geen gevoel meer in had. Er moest geconstateerd, dat zijn groote teenen zwart waren, en dat nog vier andere teenen bevroren waren, ofschoon niet zoo erg. Het moet hem veel zelfoverwinning en vastberadenheid hebben gekost, om maar voortdurend, wel negen uren lang, te hebben geklommen met zijn voeten in zulk een toestand. Nadat de circulatie van het bloed bij hem was hersteld, werd hij in een slaapzak achtergelaten, terwijl de andere vijf man verder gingen, om den bodem van den ouden krater te onderzoeken.
Hun aandacht was getrokken door eenige merkwaardige heuvels, die verspreid waren over de sneeuwvlakte binnen den krater, en daarheen richtten ze hun schreden. Ze bevonden, dat de heuvels fumarolen waren, die in een gewoon klimaat worden herkend aan de rookwolkjes, die er boven hangen. De fumarolen van den Mount Erebus vertoonen een in ijs veranderd rookzuiltje, waarin de damp dadelijk overgaat, zoodra hij de oppervlakte van de sneeuwvlakte bereikt, en het gevolg is geweest het ontstaan van die eigenaardige heuveltjes. Enkele plekken van geel gekleurd ijs bleken zwavel te bevatten.
Den volgenden dag drong het gezelschap door tot den rand van den in werking zijnden krater, gaande over beddingen van harde sneeuw en groote hoeveelheden puimsteen, en langzaam en met moeite klimmend, omdat de hoogte en de felle koude de ademhaling belemmerden. Toen ze den kraterrand bereikten als de eerste menschen, die den top van den Erebus vermeesterden, zagen ze zichzelven staan aan den zoom van een diepen afgrond, gevuld met een opstijgende wolk van stoom.
Na een aanhoudend hard sissend geluid, dat eenige minuten aanhield, kwam er van beneden een zwaar dof gebrom, en dan vlogen onmiddellijk groote, bolvormige massa’s damp omhoog, die het volume deden toenemen van de wolk, die boven den krater zweefde. De lucht was gevuld met brandende zwaveldampen. Dan deed op eens een licht windje de dampwolk wegdrijven, en ze zagen den krater vóór zich in zijn geheele uitgestrektheid en diepte. Hij was tusschen 800 en 900 voet diep en de grootste breedte was een halve mijl, terwijl in de diepte drie aan elkander gelijke openingen te zien waren, waaruit de damp opsteeg. Aan den wand van den krater, die tegenover de plaats van ons gezelschap lag, wisselden lagen van donker puimsteen af met witte plekken sneeuw, en op één plaats wees het voorkomen van dampzuiltjes erop, dat de sneeuw op warm rotsgesteente lag.
Бесплатно
Установите приложение, чтобы читать эту книгу бесплатно
О проекте
О подписке
Другие проекты
