Читать книгу «Dramatische werken» онлайн полностью📖 — Henrik Ibsen — MyBook.

Henrik Ibsen

Dramatische werken


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066068035

Inhoudsopgave

Omslag

Titelblad

Tekst

INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK
STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
NORA (EEN POPPENHUIS)
SPOKEN
EEN VIJAND DES VOLKS

* * * * *

[Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJÖLD (1895)]

INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK

* * * * *

I.
DE TIJD, HET WERK EN DE MAN.

Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw.

Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen,

Die Sonne stand zum Grusse der Planeten,

Bist alsobald und fort und fort gediehen

Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten.

So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen….[2]

De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,—zoo spreekt de dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar of die baan uit de sterren valt af te lezen?—wij willen den dichter gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven.

* * * * *

Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie?

Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan, overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld, zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe brengt….

Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen eeuw.

* * * * *

Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij hervormde menschengeest en menschengevoel.

Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen, alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar medegevoel.

Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch; en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3]. Het was een nieuwe spanning der vermogens….

Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld.

* * * * *

Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeën te bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst; maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had doorgekampt tot zijn bestemming.

Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;—men mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag—hij was toen, in 1789, zestien jaar—en aan de kinderen vertelde van den val der Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en geluk[5].

"Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen, "… het eerste oogenblik van geestdrift … heeft iets reins en heiligs gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe ideeën deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij het wezen der nieuwe ideeën direct opnemen in zijn hart, als het beginsel van een "voller" leven.

* * * * *

Toen hij—het was in het voorjaar 1802—uit Duitschland naar Kopenhagen terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschläger, "hij werd zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6]

Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschläger het bezielende woord van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poëzie liet weerklinken,—veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt, om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren "volle" dichterschap.

Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschläger den held van zijn poëtische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot het voorwerp van zijn liefde.

Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de fortuin den rug toekeert.

Oehlenschläger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere, bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poëtische typen, Aladdin en Nureddin,—het zijn twee soorten van karakters in de menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast openbaart en teekent zich niet slechts in de poëzie, maar ook in de opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische Noorden. Oehlenschläger heeft door zijn voorstelling die typen aan de menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen. Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en onbepaald:—voor de toekomst viel nog iets te doen:—maar hij beproefde het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel….[9]

* * * * *

Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschläger's opgang keerde de stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising, hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder te doen gelden….

Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren; wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op teleurstelling en smart.

"Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10], die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,—"ik stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke streek…. En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn hart door hun machtige nabijheid…. Die tijden zijn voorbij en het leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld. Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter weenende"….

* * * * *

Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding moesten bukken onder het wicht van den tijd.

Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van het verledene;—ze onderdrukte en ze weerhield.

Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen? Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel van nà- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd!

Niets meer.

* * * * *

Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11].

Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der volkenverwarring.

Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had uitgemaakt,—en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam.

Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt.

Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien. Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest uit het begin der eeuw.

Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude, eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals zij wilden….[12]

Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van die menschen.

* * * * *

[Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover de Kerk)]

Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan, miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht der nieuwe vrijheid?…

Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen. En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe. Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en de dingen.

"Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"—."[15] Is het niet alsof men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te bestormen?

* * * * *

En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naïef geestdriftige gezicht zwieren.

Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde" gedicht met voldoening kunnen lezen;—het werd in 't voorjaar van 1830 voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld gezonden,—zoo vormloos zweeft het reuzenpoëem door ijle sferen van hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe geschiedenis.

* * * * *

Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging; neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen, harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den dichter zijn naïef vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen, aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist.

На этой странице вы можете прочитать онлайн книгу «Dramatische werken», автора Henrik Ibsen. Данная книга относится к жанру «Зарубежная драматургия».. Книга «Dramatische werken» была издана в 2022 году. Приятного чтения!