Читать книгу «Een twaalftal samenspraken» онлайн полностью📖 — Desiderius Erasmus — MyBook.
image

Desiderius Erasmus

Een twaalftal samenspraken

Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066068028

Inhoudsopgave

ERASMUS

door Cd. BUSKEN HUET

ERASMUS

SAMENSPRAKEN

CHARON

De veerman van de onderwereld.

PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS.

DE ONTEVREDEN GEHUWDE OF HET HUWELIJK

EULALIE, XANTIPPE.

HERBERGEN IN DUITSCHLAND

BERTHOLF EN WILLEM.

HET SPOOK OF DE DUIVELBANNING

THOMAS EN ANSELMUS.

GOUDMAKERIJ

PHILECOUS EN LALUS.

DE PAARDENKOOPER

AULUS EN PHAEDRUS.

DE PAARDLOOZE RIDDER OF DE VERDICHTE ADEL

HARPALUS. NESTORIUS.

DE VROUWENRAAD

CORNELIA, MARGARETHA, PEROTTA, JULIA, CATMARINA.

DE BEDEVAART

MENEDEMUS, OGYGIUS.

HET SPROOKJESMAAL

Personen: Eenige makkers aan tafel.

JAN, HENDRIK, WILLEM, KAREL, PIETER, REINT, FLIP, KOOS EN FRITS.

SCHIPBREUK

ANTOON EN ADOLF.

VREKKIGE RIJKDOM

JACOB EN GILBERT.

ERASMUS

Inhoudsopgave

door Cd. BUSKEN HUET

Inhoudsopgave

Mijne lezers mogen niet klagen over dit langdurig vertoeven in de kraamkamer van ons hooger onderwijs. Maar de opmerking staat hun vrij dat het eerste beginselen zonder wiekslag geweest zijn. Goede wil, toewijding, zelfopoffering, niets ontbrak, behalve Erasmus en het genie.

De rotterdamsche Heilige, als Vondel hem noemen zou, wekt onze belangstelling inzonderheid als landgenoot en omdat hij, in onderscheiding der vermaarde oorlogslieden welke na hem de Republiek der Vereenigde-Provinciën zou voortbrengen, op zoo eervolle wijze den nederlandschen volksaard in vredestijd vertegenwoordigd heeft: anderen met het penseel in de hand, hij met de pen. Alleen de omstandigheden zijn oorzaak geweest dat niet reeds door Erasmus eene zigtbare noordnederlandsche akademie is kunnen gesticht worden, gelijk van hem en zijne geschriften de eerste onzigtbare dagteekent.

Wel is waar zag na zijn vijfentwintigste of dertigste jaar zijn geboortegrond hem naauwlijks terug, en is hij daarna meer voor Europa dan voor Nederland gaan leven. Maar, geen Franschman geworden, geen Engelschman, geen Spanjaard of Italiaan, geen Zwitser zelfs,—ofschoon hij te Bazel zich meer op zijn gemak gevoelde dan overal elders,—de sporen zijner afkomst en zijner opvoeding zijn nooit verdwenen. Welke vlugt daarna zijne studiën mogen genomen hebben, zoodat hij in het wetenschappelijke den gezigteinder zijner meeste land- en tijdgenooten ontvoer, het eerste derde deel zijns levens is op zijne verdere vorming, door de kracht der aantrekking niet minder dan der afstooting, van beslissenden invloed geweest. Nederland openbaarde hem aan zichzelf, en zulke indrukken zijn onuitwischbaar.

Litterarische en theologische vijanden hebben, de eenen bij zijn leven, de anderen kort na zijn dood, door uit te brengen dat hij de zoon was van een zuidhollandsch dorpspastoor, in strijd met kerkgeloften bij eene noord-brabantsche dienstbode of huishoudster gewonnen, een smet op zijne geboorte meenen te werpen.[1] Uit een maatschappelijk oogpunt teregt, uit een algemeener en edelmoediger ten onregte. Het strekt den nederlandschen dienstbodestand en den lageren nederlandschen klerus der 15de eeuw tot eer, zulk een buitengewoon kind het aanzijn gegeven te hebben. Noem het eene speling der natuur; noem het eene waarschuwing der Voorzienigheid aan den onwetenden oudnederlandschen adel; eene les aan den etenden en drinkenden oud-nederlandschen burgerstand; niemand zal beweren dat er termen waren aan de wetenschappelijke toekomst van een volk te twijfelen, uit welks onderste lagen, in de ongunstigste omstandigheden, Erasmus kon voortkomen.

Het verwekken van dit kind was niet de eerste dergelijke fout des vaders. Dezelfde huishoudster had hem reeds vroeger een zoontje geschonken; en naar het schijnt legde de kerkelijke overheid, tot straf van den recidivist, hem eene bedevaart naar Rome op. Zoo verdween hij voor eene poos uit de omstreken van Gouda, en de huishoudster ging bij zijne rotterdamsche bloedverwanten hare bevalling verbeiden.[2]

Van Erasmus Senior weet men weinig méér dan dat hij, al spoedig in Nederland en op zijne standplaats teruggekomen, er overleden is toen zijn jongste zoon twaalf of dertien jaren telde. De moeder stierf een weinig vroeger, te Deventer, waar zij met den genialen knaap zich heenbegeven had, om voor zijne gezondheid te waken, terwijl hij er de lessen van den aantrekkelijken en onvermijdelijken Hegius volgde. Zij schijnt eene zorgvuldige verpleegster geweest te zijn. Welligt paarde zij, dochter van een chirurg uit Zevenbergen, aan haar liefhebbend moederlijk instinkt sommige technische bekwaamheden. Eene boosaardige deventersche epidemie nam haar in den bloei des levens weg.[3]

De nederlandsche dorpspastoors der 15de eeuw waren geen suikerlords; en toen vader en moeder het tijdelijke gezegend hadden, vonden de jonge Erasmus en zijn broeder eene sobere nalatenschap te deelen. De zevenbergsche heelmeester, grootvader van moederszijde, ongetwijfeld tevens baardscheerder van beroep, kan evenmin een man van vermogen geweest zijn. De rotterdamsche familie van vaderskant, ouders van tien kinderen, deden om het openhouden van al die monden (vóór de kleine woning bevond zich eene loofhut) niet onmogelijk een bier- of wijnhuis.[4] Een voogd, te Gouda, was schoolmeester, was plakmajoor, en wist de twee jonge weezen, nadat te vergeefs beproefd was den jongste smaak te doen vinden in een Fraterhuis te 's Hertogenbosch, geen beteren raad te geven dan in een eigenlijk gezegd klooster den kost voor het eten te gaan zoeken.

Gewone geesten zwichten voor zulke omstandigheden, en onderwerpen zich. Buitengewone, maar van den tweeden rang, gaan de voorregten van rijkdom en geboorte benijden, en beschouwen carrière-maken weldra als het hoogste. Het bewonderenswaardige in Erasmus is dat, toen in vervolg van tijd zijn bestaan eenmaal verzekerd was, de aanbiedingen van koningen, keizers, en pausen, stelselmatig door hem afgeslagen zijn. Door de ondervinding geleerd haatte hij eene armoede die tot bedelen doemt, eene afkomst welke aan het platburgerlijke vermaagschapt. Maar zijn edel hart en zijn groot verstand behoedden hem voor de dwaling, in de eene of andere rigting aan het uitwendige meer te hechten dan het waard is. Zij heeft hem diensten bewezen, de nederlandsche schooijerswereld uit welke hij voortkwam. Het gemeene klooster-zelf is hem eene weldadige leerschool geweest.

Te Gouda letterwijs gemaakt, is het kind naar Utrecht gezonden om het kerkgezang te leeren, en te zien of hij als koorknaap zijn brood verdienen kon. Mogelijk oefende hij reeds toen zich in het teekenen of schilderen; wat hij, evenals de muziek, naderhand voor goed liet varen.[5] De letteren, niet de kunsten, waren zijne sterkste natuurlijke neiging; lezen zijn hartstogt.

Eene midden-nederlandsche litteratuur bestond er voor hem niet, evenmin als eene middeneeuwsch-europesche in verschillende landstalen. Er zijn geen blijken dat hij Villehardouin, Joinville, Dante, gekend of bemind heeft. Naar vaderlandsche auteurs der oudheid, Maerlant, Stoke (litterae inamoenae), zag hij niet om, maar kende op zijn twaalfde jaar den geheelen Horatius en den geheelen Terentius van buiten.

Van zijne vorderingen te Deventer, naderhand in Den Bosch, weten wij alleen dat hijzelf op later leeftijd er een geringen dunk van koesterde. Ondanks merkbare teekenen van beterschap waren de onderwijsmethoden in Nederland toen nog niet veel zaaks, vond hij.[6] Het is waar dat eerst zijn eigen vermaardheid als man, en de zucht der nederlandsche filologen hem opzijde te streven, eene betere toekomst heeft doen aanbreken.

Zijn eerste wezenlijk merkwaardige arbeid in latijnsch proza, te zamen met vrij wat latijnsche verzen (ook de poëzie werd in vervolg van tijd door hem losgelaten), dagteekent van zijn achttiende jaar of daaromtrent: zijn proeftijd als augustijner-monnik in het klooster Emmaüs, te Stein bij Gouda.[7] In tien of elf korte hoofdstukken, vele jaren daarna vermeerderd met een korrigerend en herroepend twaalfde, is het een pleidooi ten gunste van het monachale leven, en handelt Over het vlieden der wereld.[8]

De stijl van dit werkje verschilt zeer van dien der Imitatio Christi. In plaats van uit de hoogte, in naam der nietigheid van het ondermaansche, een heilig leven te gebieden, zooals Thomas a Kempis doet, betoogt de jonge Erasmus met tal van redeneringen (de vorm is die van een brief, door een denkbeeldig oom aan een denkbeeldigen neef gerigt) dat de belangen van een goed geweten, een onbesproken wandel, een vredig uiteinde, de belangen ook der vrije, ongestoorde, veelzijdige studie, het kloosterleven krachtig aanbevelen. Het is reeds eene geheel andere soort van latijn dan zestig of zeventig jaren te voren Thomas plag te schrijven en tot het laatst aanhield; meer het klassieke naderend; beschikkend over een veel grooter aantal woorden en zegswijzen; getuigend van een veel gemeenzamer omgang met de schriften der oudheid. Aanhalingen uit den bijbel worden niet gemist, doch zijn betrekkelijk zeldzaam, en vormen in geen geval den hoofdinhoud, gelijk bij Thomas het geval is.

Nogtans wortelt ook Erasmus' geschrift regtstreeks in de mystiek van den tijd en van het land; en de eene augustijner-monnik geeft, waar het op verheerlijken der kloostergeloften aankomt, den ander niets toe. Een geheel hoofdstuk bij Erasmus, langer dan één der vorige, is gewijd aan het schilderen der godsdienstige geestdrift van een vriendinnetje zijner kinderjaren, toen een volwassen meisje, dat ondanks de gebeden van vader en moeder, ondanks de tranen en omhelzingen van broeder en zuster, in het aannemen van den sluijer volhardde. Hij spreekt over deze Margaretha als over eene voorbeeldige geloofsheldin, en wijst er met bewondering op dat in den kring der schreijende ouders, bloedverwanten, en huisvrienden (hijzelf was bij het tooneel tegenwoordig en noemt het hartverscheurend), zij de eenige was om wier lippen een rustige glimlach speelde.[9]

Zelfzuchtiger, zoo men wil, doch niet minder warm of welgemeend, is zijne hulde aan de kloostercel als studeerkamer, waar slechts boeken en nogmaals boeken gevonden worden ja, maar die onder het lezen den jongen wijze in een paradijs verkeert, een hof van Eden. Anderen mogen aan de herberg, anderen aan de danszaal de voorkeur geven, hij houdt het met dit park der letterwereld; met die stroomen, bosschen, weiden, waar, tusschen het gras, de rozen en de leliën bloeijen of de violen zich verschuilen. Verlangt de ziel naar goddelijk onderrigt uit de eerste hand, de jonge kloosterling grijpt naar het Oude of het Nieuwe Testament. Wenscht hij een kerkvader of een godgeleerde te raadplegen, hij haalt het boek voor den dag en slaat op zijne knieën het open. Heeft hij uit de wereld eene oude liefde voor de ongewijde Muze medegebragt, hij mag in zijne vrije uren, mits het eene platonische genegenheid blijve, ook aan déze neiging toegeven. Wie gevormd werd in de school van profeten, apostelen, kommentatoren, en theologen, weet bij de heidensche wijsgeeren en dichters de medicinale van de giftplanten te onderscheiden. In zijn litterarischen bloemtuin is hij koningen te rijk, en trotseert Sardanapalussen.[10]

Een ander klein prozawerk van Erasmus uit deze periode is zijne lijkrede op eene goudsche weduwe, moeder van drie huwbare dochters en in de kracht harer jaren gestorven. Haar echtgenoot of haar vader, schijnt het, had haar een aanzienlijk vermogen nagelaten, en zij maakte daarvan een edelmoedig gebruik, zoodat zij als eene weldoenster bekend stond. Daarbij was zij buitengemeen vroom en eene gulle gastvrouw, die de kloosterbroeders van Emmaüs geregeld ten eten vroeg. Erasmus, wien zij meer dan één der andere jongelieden genegen was, bewondert hare onbegrensde godsdienstigheid, en brengt daarvan voorbeelden bij. Niet alleen wijdde zij onafgebroken hare zorgen aan een groot hospitaal te Gouda; maar ieder jaar, op Goeden Vrijdag, noodigde zij te harent dertien armen, wien zij vóór het aan tafel gaan zelve de voeten waschte. Eene harer dochters, pas zes weken gehuwd, werd door eene noodlottige ziekte aangetast. De moeder deed Erasmus hiervan kennis geven; en in de meening haar doodelijk bedroefd te zullen vinden, snelde hij naar hare woning. Doch Bertha van Heyen, zoo heette de matrone, zeide tot hem toen hare dochter den adem had uitgeblazen: "Gij komt mij troosten, als ware ik gekrenkt in mijne regten of moedwillig geplaagd; maar is niet hij, die mijne dochter mij ontneemt, dezelfde die haar mij gegeven heeft? Ben ik tot weeklagen bevoegd? Zij is heengegaan tot straf voor mijne ongeregtigheden."[11]

Het verdient opmerking dat Erasmus, die later de monniken zoo ijverig nagezeten, zoo geestig en openhartig de jonge meisjes van de wereld vermaand heeft geen nonnen te worden,[12] met zooveel ingenomenheid over het offer der Margareta zijner jonge jaren spreekt en over het "hokje" van Thomas a Kempis. Maar het is óók merkwaardig dat reeds in de hulde aan Bertha van Heyen uitdrukkingen voorkomen die op een begin van ontgoocheling wijzen.

Schier onmiddellijk heeft Erasmus gevoeld dat de meeste hollandsche monniken zijner dagen onopgevoede lieden waren, en zij in het gezelschap eener beschaafde vrouw zich niet wisten te gedragen. "Wanneer wij bij Bertha aan tafel zaten," herinnert hij, "en een onzer zich van uitdrukkingen bediende die den goeden naam van den medemensen benadeelen konden, dan maakte zij aan het verderfelijk gepraat terstond een einde, zeggende: Ik bid u, broeders, laat mij aan mijn disch geen woorden uit uw mond vernemen waardoor een afwezige beleedigd wordt! Spaart mij ook het overbrengen van zaken die derden niet tot eer strekken: dit vleit mijne ooren niet."[13]

Zulk eene vrouw, gevoelde hij, behoefde den sluijer niet aan te nemen om eene voortreffelijke christin te mogen heeten. Sprekend van hare jeugd: "Zij was schoon," zegt hij, "zij was rijk, zij was een toonbeeld van deugd en godsvrucht; waarom trok zij zich niet uit de wereld terug, en ging zij niet in een klooster? zult gij vragen. Zeker, dit ware voorzigtiger geweest. Maar volgens mij is het een verreweg schooner eeretitel, te midden van de verleidingen der ondeugd een rein en onschuldig leven te leiden, en met zelfbewustheid zijn eigen weg te gaan, terwijl de wereld om ons heen jaagt en drijft. Alleen de deugd stelt daartoe in staat."[14]

Vroegtijdig heeft Erasmus het klooster bemind; met welgevallen de tonsuur aanvaard, en door den bisschop van Utrecht zich tot priester laten wijden. De drang van buiten, welke daarbij gebezigd mag zijn, heeft minstens voor de helft uit overreding bestaan. Voor méér dan de helft was het toetreden vrijwillig.[15]

Doch even vroegtijdig heeft hij gevoeld dat voor het verwezenlijken van een ideaal als het zijne,—een leven voor de studie, van de studie, om de studie,—het klooster gemist kon worden, en veeleer den naam van struikelblok of ergernis dan van hulpmiddel verdiende. Niemand had hem "in de kap gestoken," gelijk naderhand de minachtende zegswijs luidde. Uit eigen overtuiging, zoo niet uit eigen beweging, had hij zich den strop om den hals gehaald. Maar pas was het koord bevestigd of hij gevoelde dat het een koord was, en zijn bestaan dat van een vogel op een kruk geleek.

In die stemming schreef hij te zelfder tijd de Ode aan een vriend, welke zulk een diepe neerslagtigheid ademt, en die bewijst dat het hem gemakkelijker viel anderen met woorden de kloosterkevie smakelijk te maken, dan voor de vleugelen van zijn eigen geest zich met zoo weinig ruimte te vergenoegen: "Wee mij! Door droefheid, wanhoop, en arbeid, word ik verteerd. Een wreed lot gunt mij geen oogenblik verademing, brengt niet de geringste verzachting voor mijn leed. Treurige dagen voor, treurige na! Door welke misdaad heb ik den Hemel beleedigd, dat ik eene straf moet lijden de martelingen waardig van den Styx? De aarde ten minste wordt na de zomerhitte door lange dagen vol schaduw en nevelen verkwikt; de sneeuw komt en verdwijnt, naarmate de velden haar behoeven of kunnen ontberen. Mij brengen de saizoenen geen stilling van pijn; onafgebroken vervullen de droefgeestige zorgen mijne ziel; tranen doen gedurig mijne oogleden zwellen."[16]

Is het mogelijk een glimlach te onderdrukken wanneer men bedenkt hoe weinig de jonge man, die onder zijn leed zoo diep gebukt ging, noodig had om gelukkig te zijn? Welk gering verschil, voor het uitwendige, er bestond tusschen de kloostercel zijner jeugd, die hij verwenschte, en de studeercel van zijn manlijken leeftijd, naderhand zijn hemel op aarde?

Nooit heeft Erasmus naar een huwlijk getaald; nooit het als zijne roeping beschouwd huisvader te worden; nooit eene openbare betrekking willen vervullen. Wanneer hij in den vollen bloei der jaren de zamenspraak van den Officier en den Karthuizer

...
5

На этой странице вы можете прочитать онлайн книгу «Een twaalftal samenspraken», автора Desiderius Erasmus. Данная книга.. Книга «Een twaalftal samenspraken» была издана в 2022 году. Приятного чтения!